De initiŽle doorbuiging van vloerplaten is afhankelijk van de overspanning, de dikte van de vloer en de permanente belasting. Deze doorbuiging wordt meestal beperkt gehouden door bij de plaatsing een tegenpeil aan de vloer te geven, zodat na het wegnemen van de stutten een min of meer vlakke vloer bekomen wordt.

Moeilijker te controleren is de bijkomende doorbuiging, ook wel actieve doorbuiging genoemd, die veroorzaakt wordt door drie factoren, nl. krimp, kruip en de veranderlijke belasting. Van deze drie is in de woningbouw kruip - veroorzaakt door het uitdrogen van de vloer - de belangrijkste oorzaak van bijkomende doorbuiging. In de utiliteitsbouw moet in dit kader ook rekening gehouden worden met de veranderlijke belasting.

Maximaal toegelaten waarden

De maximaal toegelaten waarden van de doorbuiging is opgenomen in de norm NBN EN 1992-1-1. De totale doorbuiging (som van de initiŽle en bijkomende doorbuiging) wordt hierin begrensd tot 1/250 van de overspanning. De bijkomende doorbuiging wordt begrensd tot 1/500 van de overspanning in geval van vloeren en 1/250 in geval van daken.

De NBN EN 1992-1-1 ANB geeft de mogelijkheid om grenswaarden volgens de norm NBN EN 03-003 te hanteren voor de bijkomende doorbuiging. Als belangrijke waarden onthouden we de volgende:

Terug