De essentiële functies van verbindingen zijn:

a) de vloerelementen verbinden met de oplegconstructie;
b) de trekkrachten overbrengen naar de stabiliteitssystemen;
c) zorgen voor de structurele integriteit van de vloer, de schijfwerking en de dwarsverdeling van geconcentreerde belastingen;
d) de effecten van krimp, kruip, temperatuurwisselingen en onderling verschillende zettingen opnemen.

BELANGRIJK VOOR EEN GOEDE VERBINDING IS EEN CORRECT ONTWERP EN EEN GOEDE UITVOERING VAN DE GEKOZEN VERBINDING.

Een verbinding kan immers op verschillende manieren gebeuren:

  • ter hoogte van de opplegging (uitstekende wapening, ringbalk, ...),
  • aan de langse voegen (voegvulling, druklaag, ...),
  • een zijdelingse verbinding ter hoogte van de niet-opgelegde vloerranden (hamerkoppen, ...).


Oplegverbindingen

Algemeen

opleg

De detaillering van oplegverbindingen hangt af van het type vloerelement en het materiaal van de draagconstructie: beton, staal of metselwerk. Als vuistregel geldt (in woningbouw) een opleglengte van 60 à 70 mm voor alle structuren.
Voor een volledige berekening moeten de volgende praktische punten in acht genomen worden:

  • de minimum opleglengte, rekening houdend met mogelijke toleranties;
  • de effenheid van de contactzone ter plaatse van de opleggingen;
  • de rotatiecapaciteit ter voorkoming van afspringen van betonranden;
  • de schikking van de kettingwapening;
  • de inklemmingsgraad van de vloerelementen.

De oplegspanningen zijn zelden kritisch voor holle vloerelementen.

Om de oplegreactie van holle vloerelementen te localiseren en de oplegvoorwaarden te verbeteren wanneer de oppervlakken oneffen zijn of de contactspanningen hoog, worden ze opgelegd op een neopreenstrip, mortelbed, vezelcementplaat of gelijkaardige oplegmaterialen. Bij lichte vloerbelastingen zoals in woningen, worden de vloerelementen soms direct op de wanden geplaatst. In alle andere gevallen is het gebruik van oplegmateriaal altijd aangeraden.


Opleglengte


                     


De nominale opleglengte van een betonnen vloerelement wordt bepaald door de som van de netto opleglengte plus alle toepasbare toleranties. De toegelaten spanning in de contactzone van het opgelegde en het ondersteunende element bepaalt de netto opleglengte. Contactspanningen worden over het volledige contactoppervlak verdeeld met behulp van opplegmaterialen. Het oplegmateriaal moet geplaatst worden op een zekere afstand van de hoek van de oplegconstructie om afsplijten van de betonrand te voorkomen. Dezelfde voorzieningen moeten getroffen worden om het afsplijten van de onderste hoek aan de uiteinden van het opgelegde element te voorkomen. Bovendien moet rekening gehouden worden met mogelijke maatafwijkingen op de lengte van het ondersteunde element en op de tussenafstand van de beide steunpunten.

De onderstaande tabellen geven enkele indicatieve waardes voor de opleglengte "a" voor enkelvoudige opgelegde holle vloerelementen in functie van de materiaal van de oplegconstructie.


Volgens NBN EN 1992-1-1, wordt de nominale opleglengte van een enkelvoudige oplegging van niet geïsoleerde elementen zoals gegeven in onderstaande figuur, berekend met de volgende formule:


waarin:

  • a1 de netto opleglengte is in functie van de toegelaten oplegspanning
  • b1 de netto oplegbreedte is
  • a2 de nodige afstand is vanaf de buitenkant van het ondersteunende element, om afsplijten te vermijden; de gebruikelijke waarde van a2 gaat van 10 tot 15 mm voor lineaire opleggingen (bijv. vloeren) en van 10 tot 25 mm voor geconcentreerde opleggingen (bijv. balken).
  • a3 de nodige afstand is vanaf de buitenkant van het opgelegde element; de normale waarde gaat van 5 tot 15 mm
  • delta a2 de tolerantie is op de afstand tussen de beide ondersteunende constructies. delta a2 = tussenafstand steunconstructies / 1200
  • delta a3 de tolerantie is op de lengte van het opgelegde element. delta a3 = elementlengte/2500


Verbindingen ter plaatse van de zijwanden

Verbindingen aan de zijranden van holle vloerelementen worden gemaakt met locale T-vormige sparingen in de rand van de plaat (hamerkop). Na montage worden wachtstaven uit de wanden of gevels in deze sparingen geplooid en aangestort (zie fig.3). De verbindingen worden op regelmatige tussenafstanden voorzien, bijvoorbeeld om de 2,40 m. Door deze verbinding kunnen er torsiemomenten in de vloer ontstaan omwille van de verhinderde doorbuiging van de vloer aan de zijrand. De praktijk wijst echter uit dat de vloeren voldoende vervormingscapaciteit hebben en dat er normaal geen problemen optreden als gevolg van de belasting en temperatuurwisselingen.

Verbindingen ter hoogte van de zijwanden van vloerranden dienen voor de bevestiging van wanden of voor de overdracht van de horizontale schuifkrachten tussen de vloer en de dwarswanden of stijve kernen.


           


Openingen en sparingen

Openingen en uitsparingen in holle vloerelementen kunnen verschillende maten en vormen aannemen. Het ontwerp moet rekening houden met de stabiliteit van het element, de manipulatiemogelijkheden, het visuele aspect (namelijk ruwe of gezaagde randen) en de kostprijs.

Terug